
Steeds intenser leeft en handelt de hedendaagse mens in een zelf gecreëerde omgeving. Met de toenemende complexiteit van deze door de mens gemaakte omgeving vergroot ook het gevaar dat grote groepen gebruikers gediscrimineerd, uitgesloten of alleszins ernstig beperkt worden in hun functioneren. Ontwerpers zijn mee verantwoordelijk voor het ontstaan van handicapsituaties, maar evenzeer kunnen zij een fundamentele professionele bijdrage leveren in het proces van systematische eliminatie van handicapsituaties. Zij kunnen tussen mens en omgeving barrières opwerpen of zij kunnen bruggen bouwen, 'disabling environments' maken of 'enabling environments'. Ontwerpers moeten hierin ten volle hun sociale en morele verantwoordelijkheid opnemen. Zij moeten ook meer kennis krijgen van de grote verscheidenheid van permanente, tijdelijke en situationele functionele beperkingen van gebruikers. Omgekeerd moeten gebruikers en andere professionelen (ergonomen, ergotherapeuten, medici en paramedici) ook meer inzicht en inspraak verwerven in de ontwerp- en productieprocessen van objecten, omgevingen en systemen.
Het is een fundamenteel recht van ieder mens om mee te beslissen over zijn of haar lot en welzijn. De slagzin 'Niets over ons, zonder ons', tekende Charlton (2000) in 1993 op uit de mond van twee Zuid-Afrikaanse activisten. Die citeerden op hun beurt leden van een beweging voor de rechten van mensen met een handicap uit Centraal-Europa.
In zijn boek met de gelijknamige titel 'Nothing About Us Without Us' beschrijft hij het moeilijke en laattijdige op gang komen van gehandicaptenrechtenbewegingen, in navolging van andere emancipatiebewegingen.
'Nothing About Us Without Us' slaat niet enkel op rechten en voorzieningen in sociale, politieke en economische aangelegenheden. De militante mensenrechtenkreet kan ook toegepast worden op materiële hulpmiddelen, verzorgingsinstellingen, voorzieningen, gebouwde ruimten, huisvesting enzovoort. Al te vaak worden voorzieningen getroffen en oplossingen ontworpen over de hoofden van de betrokkenen heen, zonder hun democratische inspraak, maar evenzeer zonder hun waardevolle inbreng als ervaringsdeskundigen.
Ontwerpers staan in hun denken en voelen vaak voor een dilemma. Enerzijds wensen zij voorwerpen, technologieën en ruimten te ontwikkelen die goed en bruikbaar zijn voor iedereen, inclusief voor mensen met fysieke en mentale beperkingen, voor ouderen, voor kinderen. Anderzijds vrezen zij dat inclusief en integraal ontwerpen voor iedereen hun conceptuele, esthetische en budgettaire mogelijkheden zal beknotten. Ze ontwerpen wel voor menselijk gebruik, maar meestal refereren ze impliciet aan eigen kennen en kunnen of steunt hun kennis van diversiteit van menselijke mogelijkheden en beperkingen op stereotiepe categorieën uit marktonderzoek.
Bij gebruikersgericht ontwerpen werkt de ontwerper rechtstreeks samen met potentiële gebruikers, omdat hij beseft dat dit meer inzichten oplevert dan kennis uit verzamelde rapporten.
Gebruikersobservatie is gebaseerd op etnografische methodes, waarbij de ontwerper participerend observeert in de reële omgeving, met de gebruiker. Ontwerpers doen bijvoorbeeld mee in de routine van dagelijkse taken en bezigheden, thuis of op het werk. De open conversatie tussen ontwerper en gebruiker is niet enkel gericht op praktische aspecten, maar laat ruimte voor gedachten en gevoelens bij de sociale en emotionele betekenis van handelingen, technologieën, voorwerpen en ruimten.
Patrick Whitney (2002) leidt het Institute of Design van IIT, Illinois, Verenigde Staten, vanuit een missie die gericht is op 'Human-Centred Design'. Hij verzet zich formeel tegen de egocentrische 'Designer-Centred Design' benadering, die volgens hem momenteel domineert in het merendeel van de overige ontwerpscholen in de westerse wereld. Studenten halen hun inspiratie hiervoor voornamelijk uit gepubliceerd beeldmateriaal en baseren hun ontwerpbenadering vervolgens op een doorgedreven interpretatie en esthetiserende transformatie van de bestaande ontwerpoplossingen.
De professionele ontwerpbureaus zijn volgens Whitney evenmin mensgericht. Hun ontwerpen en realisaties worden vooral gekenmerkt door 'Technology-Centred Design' en 'Market-Centred Design'.
In een dergelijke onderwijs- en ontwerpcultuur is er uiteraard weinig ruimte en aandacht voor de dynamische levenscyclus en de levensgeschiedenis van het gebouwde en van de gebruikers. Auteurschap van de ontwerpers wordt dan vaak als belangrijker beschouwd dan het 'acteurschap' van het gebouw. Ontwerpers en producenten staan voor de grote uitdaging om te zoeken naar een nieuwe ethiek en een nieuwe esthetiek van inclusief en integraal ontwerpen voor iedereen.
Terug naar boven